BELGISCHE MARITIEME LIGA  vzw.
LIGUE MARITIME BELGE  asbl.

Koninklijke Vereniging - Société Royale

HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

De Oostendse kaapvaart tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-  1697) (I)

 

Een overzicht van de werking, het scheepsbestand, de betrokken personen en de opbrengsten.


Thomas Beauprez

 

1 De werking van het Oostendse kaapvaartbedrijf

Het is niet makkelijk onderscheid te maken tussen kapers en piraten. Meestal worden ze als synoniemen beschouwd. Voor de kaper zelf was het uiteraard wel van belang, aangezien piraten werden opgehangen bij gevangenneming.

Verschillende historici hebben geprobeerd meer duidelijkheid te scheppen. Ondanks hun inspanningen is er geen duidelijke onderscheid tussen kaapvaart en piraterij.

Het ontstaan van de zeeroverij hangt samen met het ontstaan van transport over zee. Dus het bestond al in de Oudheid. Toen was het ook al mogelijk om schepen op een legale manier te kapen, maar de kapingen werden uitgevoerd met oorlogsschepen. Het is dus geen ‘zuivere’ kaapvaart. Het maakte deel uit van de oorlogvoering op zee, het was vanzelfsprekend dat een overwonnen schip geplunderd en buitgemaakt werd.

Vanaf de late middeleeuwen kwam daar langzaam verandering in. In die periode vierde zeeroverij hoogtij en maakten piraten de Europese wateren onveilig. De dreiging was zo sterk dat vissers en koopvaarders genoodzaakt waren om zich te organiseren. Onder leiding van een admiraal werden vissers- en koopvaardijschepen nu begeleid door gewapende konvooischepen. Ondanks die maatregelen bleef zeeroverij een dagelijkse realiteit.

In de meeste gevallen was het voor het slachtoffer van een zeeroof vrijwel onmogelijk een schadevergoeding te verkrijgen. Daarom nam men het recht in eigen handen. Er werd beroep gedaan op het represaillesysteem. Dit systeem is fundamenteel voor het ontstaan van de kaapvaart en dateert al van de 12de eeuw. Het represaillesysteem hield in dat de slachtoffers van een roof hun beklag gingen doen bij hun vorst. Op hun aanvraag schreef de vorst dan een represaillebrief uit. Met deze brief hadden slachtoffers het recht geleden schade te verhalen op onderdanen van dezelfde natie als hun belager. Om deze manier konden heuse privé-oorlogen ontstaan. Door de centraliseringspolitiek van de vorsten werd het bezit van degelijke represaillebrieven onontbeerlijk, omdat men anders als piraat werd beschouwd. Aanvankelijk was de brief enkel geldig in de territoriale wateren. Om daarbuiten te kapen, had men een ‘lettre de marque’ nodig. Na enige tijd liepen deze 2 brieven in elkaar over, zodat de plaats van kaping ongelimiteerd werd.

Het represaillesysteem evolueerde zodat het dicht begon aan te leunen tegen kaapvaart. Er was een sterke overheidsinmenging. In beide gevallen had men schriftelijke toelating nodig en de buit werd ook verdeeld door een bevoegde instantie. Toch waren er grote verschillen. De represaillebrief werd aangevraagd als antwoord op een vijandige actie, om de geleden schade te vergoeden. Het gebruik was dus persoonlijk en hield geen rekening met het feit of het een vijand of vriend van de vorst betrof en of het een periode van oorlog of vrede was (in tegenstelling met de kaapvaart). De represaillebrief hield ook in dat men slechts de geleden schade mocht vergoeden, een kaper mag (zolang het oorlog is) zoveel kapen als hij wil. Vanaf de late middeleeuwen wilde men een duidelijk onderscheid maken tussen zeeroverij en kaapvaart. Deze scheiding was nodig als men beroep wilde doen op deze oorlogsvloot van particulieren. Er moest een akkoord gevonden worden op internationaal niveau. Op het eind van de 15de eeuw werden een reeks bilaterale verdragen afgesloten tussen Frankrijk, de Hanze, Castillië en Engeland. Vanaf dan was de piraat een schurk en de kaper een held. De kaapvaart zou zich in de 15de eeuw sterk ontwikkelen en een hoogtepunt bereiken in de 17de en 18de eeuw.

De toenemende centralisering en hang naar een internationale rechtsorde zouden aanleiding geven tot het ontstaan van een streng gereglementeerde kaapvaart. Represaillebrieven werden nog gebruikt maar geleidelijk vervangen in de loop van de 16de eeuw door de kaapvaart.

Voor onze gewesten valt het ontstaan van de kaapvaart samen met de uitvaardiging van de ordonnantie van 1488 door Maximiliaan van Oostenrijk. Naast de instelling van het admiraalambt en de omschrijving van zijn bevoegdheden volgde de eerste officiële wetgeving over de kaapvaart in de Nederlanden. De zogenaamde ‘lettres de marque’ werden dan vervangen door patenten of commissiebrieven.

De belangrijkste verandering op inhoudelijk vlak was het wegvallen van het represaille-element. Dat betekende dat de persoonlijke wraakactie en de toelating tot schadeverhaal moesten wijken. Voortaan mocht enkel nog ter buit gevaren worden in oorlogstijd en alleen nog op de vijand. Op deze manier probeerde men een einde te maken aan de chaotische situatie op zee. De overheid slaagde er dus in de ‘zeerovers’ voor haar kar te spannen.

In de ordonnantie van 1488 werd de basis gelegd van de kaapvaartreglementering voor de Nederlanden. Nieuwe ordonnanties in 1504, 1540, 1590, 1624, 1694, 1702 en 1705 zouden deze reglementen steeds meer verbeteren, en vooral aanpassen aan wisselende omstandigheden. Volgens Debrock stond de reglementering in 1590 al op punt. Latere ordonnanties waren voor hem aan de tijd aangepaste kopieën.

De ordonnantie van 1694 steunde dus ook grotendeels op die van 1590, toch bleven kapiteins, reders en admiraliteitsambtenaren in hun documenten verwijzen naar de ordonnantie van 1624. Waarschijnlijk omdat het legitiemer leek om beroep te doen op een oude ordonnantie die haar nut doorheen de tijd al had bewezen. Een bijkomende reden kan zijn dat die ordonnantie de kapers meer voordelen opleverde. Dat is goed mogelijk aangezien de 80-jarige Oorlog de bloeitijd was van de Vlaamse kaapvaart.

Natuurlijk bleef er ook gewone piraterij bestaan naast de kaapvaart. Ondanks het verschil tussen beide is het niet makkelijk om ze te scheiden. De kaapvaart vereiste een oorlogstoestand en staatscontrole. Piraten hielden hiermee geen rekening. Het waren gewone roversbendes op zee. In geval van gevangenneming kreeg een piraat de strop.

De onduidelijkheid was het grootst in de 16-17de eeuw. De nevel die over beide disciplines hing mag niet onderschat worden. In de 16de eeuw verdeelden Spanje en Portugal met het verdrag van Tordesillas de wereld onder elkaar. De andere landen moesten met lede ogen toekijken. Ze deden dan ook beroep op piraten die in de Caraïbische regio opereerden. Voor deze piraten was het makkelijk om een Britse, Franse of Hollandse kaperbrief te verkrijgen. Zo kregen ze vrij spel en zelfs steun van een aantal overheden.

Aan de andere kant werden kapers soms ook als gewone piraten behandeld. Dit was onder andere het geval voor de Noord-Afrikaanse of Barbarijse kapers die vanuit Algiers en Tripoli de Christenen lastig vielen op de Middellandse Zee. Ondanks het feit dat ze toestemming kregen van de Sultan werden ze in Europa als piraten beschouwd.
Hetzelfde overkwam de Hollandse watergeuzen in hun opstand tegen Spanje. Spanje erkende de Noordelijke Nederlanden niet als een staat, de kaperbrieven die door de Prins van Oranje werden dan ook niet erkend. Watergeuzen werden vaak ter dood gebracht als gewone piraten. Zulke verwarrende situaties werden vaak bewust gecreëerd. Tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheid werden kaperbrieven van de opstandige kolonies niet aanvaard door de Engelsen maar wel door alle andere mogendheden.

De Staten-Generaal van de Verenigde Provinciën beschouwde overigens de Vlaamse kapers ook als piraten, vooral na 1587. De Hollandse kapiteins werden aangemaand gevangengenomen kapers overboord te gooien (het zogenaamde ‘voetenspoelen’ ). Met deze maatregel hoopte de Staten-Generaal de bedreiging van de Vlaamse kapers voor hun handel en visserij tegen te gaan. Ze hoopten op een afschrikwekkend effect. Uiteindelijk was het een slechte zet. Het gevolg was dat Hollandse scheepslui zelf het slachtoffer werden van hun tactiek. Onder druk van de bevolking trok de Staten-Generaal hun beslissing weer in.

Het is dus duidelijk dat zowel kaapvaart als piraterij instrumenten van de staat waren. De staten hebben handig op deze dubbelzinnigheid ingespeeld. Lastige kapers werden piraten, nuttige kapers werden zeehelden.


1.1 Evolutie van de Vlaamse admiraliteit:

De staatstussenkomst maakte het grootste verschil uit tussen kaapvaart en piraterij. Nationale en internationale kaapvaartreglementeringen en ordonnanties waren daar de belangrijkste uitingen van. In de praktijk waren het de admiraliteiten die moesten toezien op de strikte naleving van de reglementen.

Voor het ontstaan van de admiraliteit moeten we teruggaan tot de 14de eeuw. Oorlog en piraterij teisterden de Europese wateren. Vloten worden gedwongen in konvooi te varen. De betrokken schippers verkozen een vlootvoogd of admiraal om leiding en bescherming te bieden aan het konvooi. Samen met dit privé-initiatief werd in dezelfde periode een gelijkaardige functie gecreëerd door de graaf van Vlaanderen. Admiraals werden eerst slechts sporadisch aangesteld wanneer het nodig was. Door de centraliserende politiek van Lodewijk van Male zou de admiraal een volwaardige en permanente functie krijgen. Vanaf 1436 was dit een feit. De admiraalfunctie zou verenigd worden in 1 persoon, die uit de hoge adel kwam en bevoegd was voor alle zeegewesten.

In 1488 werden de bevoegdheden van deze admiraal vastgelegd in de ordonnantie uitgevaardigd door Maximiliaan van Oostenrijk. Inzake maritieme situaties kende deze ordonnantie hem zowel juridische als militaire bevoegdheden toe. Door zijn militaire functie stond hij naast kustbewaking ook in voor de kustverlichting en was hij belast met de uitrusting van oorlogs- en konvooischepen. Ook met de werving en betaling van het personeel hield hij zich bezig. Juridisch had de admiraal zowel burgerlijk als strafrechterlijke rechtspraak. Hij was de enige die kaperbrieven en andere zeepaspoorten kon uitschrijven. In 1488 werd door de toenmalige admiraal in Veere (Zeeland) een admiraliteitszetel opgericht. De plaatselijke rechters stonden in voor rechtspraak in eerste aanleg. Hoger beroep kon aangetekend worden bij de admiraal en zijn raad.

In de loop van de 16de eeuw zou de admiraalsfunctie door de Habsburgse centraliseringpolitiek sterk worden uitgehold. Vooral na de ordonnantie van 1540, waardoor de admiraal de totaliteit van zijn militaire macht (uitrusten van schepen en kaperbrieven opstellen) verloor aan de vorst. Ook juridisch werd zijn macht aangetast want hoger beroep was nu mogelijk bij de Grote Raad van Mechelen. De oorspronkelijke admiraalsfunctie verviel in een samenraapsel van administratieve bevoegdheden. Nieuwe ordonnanties takelden de functie nog verder af. Bij de oprichting van de admiraliteitsraad in 1596 was de admiraal nog slechts een schijnfunctie. Het centralisatieproces dat in de 15de eeuw de admiraalfunctie zo sterk maakte zorgde in de 16de eeuw voor de uitholling ervan.

Deze admiraliteitsraden zouden steeds meer invloed afnemen van de admiraal. Naast hun functie als strafrechtbank in maritieme zaken diende ze ook als prijzengerecht en hielden ze toezicht op de in- en uitgaande schepen. In 1560 zou de centrale admiraliteitszetel worden overgebracht naar Gent. In de 80-jarige Oorlog behoorde Oostende tot het kamp van de Geuzen. Oostende kreeg zelfs even haar eigen admiraliteit, maar na 3 jaar werd dat op aandringen van de Zeeuwen weer afgeschaft (ze vreesden concurrentie).

Na het Beleg van Oostende dat eindigde in 1604 behoorde Oostende nu tot het Spaanse kamp. Farnese had al Duinkerkse en Antwerpse admiraliteitsraden opgericht, en deze werden in 1596 ondergeschikt aan de centrale admiraliteit die in Brussel werd opgericht. Oostende kreeg net als andere havens (Nieuwpoort, Blankenberge) een commissaris. Door de wapenstilstand in 1609 werd deze hele structuur overbodig en dus opgedoekt. Bij de beëindiging van het 12- jarig Bestand in 1621 zag men de noodzaak in van een nieuwe oorlogsvloot. Er kwam weer een centrale raad in Brussel en in Duinkerke werd een zetel opgericht. Tussen 1646-1652 kwam Duinkerke tijdelijk in Franse handen, zodat de zetel voor korte tijd verhuisde naar Brugge. Vanaf 1652 was Duinkerke weer in Spaanse handen (en verhuisde de zetel weer terug) maar in 1658 werd Duinkerke voorgoed Frans. De zetel werd daarop definitief naar Oostende gebracht. Na de Vrede van Munster (1648) vertrok de Spaanse vloot naar Spanje, zodat de admiraliteitraad meer een soort prijzenhof werd. De raad in Brussel evolueerde in 1674 dan maar in een soort ‘jointe voor kapingen’. In 1690 werd de opperste admiraliteitsraad echter weer heropgericht naar aanleiding van de Negenjarige Oorlog.

In 1694 begonnen Karel II en zijn landvoogd Maximiliaan Emanuel van Beieren met een grootschalige reorganisatie van het zeewezen. Dit was vooral gericht op sanering van het overbodige marinepersoneel. Want ondanks het vertrek van de Spaanse armada waren de ambten die daaraan waren verbonden verder blijven bestaan. De hoge lonen van deze rijkbetaalde functionarissen drukten zwaar op het budget. De tienden die werden geheven op de gekaapte prijzen volstonden niet langer om het budget op peil te houden. Het admiraliteitscollege ontsnapte ook niet aan deze hervorming. In plaats van 3 rechters, zou de admiraliteit vanaf dan slechts 1 rechter tellen. Van de toenmalige rechters: Joseph Valcke, Charles Baltijn en Jean-Baptiste Bauwens, mocht enkel Valcke zijn functie voortzetten. Hij zou worden bijgestaan door 1 griffier en 2 sergeanten. De opperste admiraliteitsraad in Brussel werd ook afgeschaft zodat de Raad van Vlaanderen voortaan het beroepshof zou zijn.


1.2 Het personeel van de admiraliteit tijdens de Negenjarige Oorlog:

De rechter: Joseph Valcke die als enige na de hervormingen overbleef overleed nog in datzelfde jaar. Zijn functie werd overgenomen door Jean Baptiste Bauwens. Dit was geen toeval. Voordat hij als 2de rechter werd aangesteld was hij actief geweest als depositaris in de kaapvaart. Bij zijn aanstelling in 1694 was hij dus met zowel het rechtersambt als de kaapvaart vertrouwd. Hij kwam ook uit één van de invloedrijkste families van Oostende. Zijn vader Rogier was nog kaapvaartreder geweest in Brest. Kort na aankomst in Oostende in 1653 verwierf hij het poorterschap en was actief in de koopvaardij. Via huwelijken verbond hij zich met de belangrijke families van de stad. Zo kwamen de families de Schonamille, Hoys, van den Heede en de Grij sperre bij hem over de vloer.

Zijn broer Paul moest niet voor hem onderdoen. Hij was één van de belangrijkste handelaars van de stad en werd tweemaal burgemeester van Oostende. Hij was verbonden met de admiraliteit door zijn functie van depositoris-generaal van betwiste prijzen (1690-1692), en als ontvanger van de tienden. Jean-Baptiste zou zijn functie blijven uitoefenen tot zijn dood in 1726. De familie Bauwens zou één van de belangrijkste families van Oostende worden. De griffier: sinds 1687 werd de taak van griffier uitgevoerd door Estevan de Duenas, een Oostendenaar van Spaanse afkomst, die deze functie zou blijven uitoefenen tot 1714. Voor zijn aanstelling was hij nog actief geweest als ontvanger-generaal van konvooischepen. Ook hij werd 2 maal burgemeester van Oostende. De eerste keer in 1688-1690 en de tweede maal in 1699 tot 1703. Door een huwelijk met Isabella Hoys werd hij verbonden met een belangrijke familie. Zijn dochter zou trouwen met Thomas Ray, de latere directeur van de Oostendse Compagnie. Zijn zoon zou hem opvolgen als griffier in de admiraliteit.

De sergeanten: hoewel de hervorming van 1694 voorzag in de aanstelling van 2 sergeanten was er eigenlijk maar één actief: Jacobus de Mey. Naast sergeant en deurwaarder had hij ook de rol van provoost van de admiraliteit.
Het overige personeel: naast deze topfunctionarissen spreekt het vanzelf dat er voor de dagelijkse werking van de admiraliteit nog veel ambtenaren en arbeiders nodig waren. Vooral in oorlogstijd. In vredestijd was het aantal ‘vaste werknemers’ beperkt.

Omdat de admiraliteit steeds meer een prijzenrechtbank werd, was de kaapvaart eigenlijk de enige bestaansreden van deze instelling geworden. De tienden die geheven werden op de gekaapte prijzen zorgden voor het budget van de admiraliteit.

Volgens Debrock hield de admiraliteit zich in vredestijd vooral bezig met het afhandelen van zaken uit de voorbije oorlog. volgens de auteur kwam dit door nalatigheid en afwezigheid binnen de admiraliteit. Het merendeel van de jobs kon dus niet full-time beoefend worden. Velen combineerden hun functie bij de admiraliteit dan ook met hun oorspronkelijk beroep (bijvoorbeeld: advocaat, kaperkapitein).

2. De Oostendse kaapvaart voor 1688

Van de oude geschiedenis van Oostende is maar weinig geweten, dat komt omdat het archief van de stad tijdens Wereldoorlog II in vlammen opging. Wat we wel weten is dat het al van in het begin een visserstadje was. Vanaf de 15de eeuw kende de haringvangst een grote bloei. De Oostendse vis vond afzetmarkten in belangrijke binnenlandse centra zoals bijvoorbeeld Bergen of Rijsel. Toen had het stadje nog geen haven en moesten de vissers hun schip op het strand trekken na afloop. Pas door uitbreiding van de visserij kon in de bouw van een haven worden voorzien. Op 27 december 1445 werd het octrooi verleend en op 18 oktober 1446 werd de haven het eerst in gebruik genomen.

Naast piraterijen zou Oostende zich in 1488 een eerste maal als kapersnest manifesteren. Tijdens de machtsovername van Maximiliaan van Oostenrijk koos Oostende de kant van Brugge en vocht tegen de schepen van Duinkerke en Nieuwpoort. Ondanks het feit dat Maximiliaan met zijn ordonnantie in 1488 de basis zou leggen voor de kaapvaart zouden de Vlamingen zich tussen 1490 en 1568 niet meer met de kaapvaart inlaten. Men concentreerde zich weer volop op de haringvangst, en met succes. In het begin van de 16de eeuw was Oostende één van de belangrijkste vissershavens. Een keizerlijk plakkaat van 1512 bepaalde dat vis enkel verkocht mocht worden in de vismijnen van Oostende, Grevelingen, Duinkerke, Sluis en Nieuwpoort.

Vanaf 1568 zou daar verandering in komen, de opstand tegen Spanje begon en met de vrede werd ook de visserij verstoord. Oostende hoorde bij de Watergeuzen (net als Nieuwpoort en Duinkerke) en met kaperbrieven van de Prins van Oranje kaapten zij kleine schepen van de bezetter. Oostende kon zich onderscheiden tijdens de oorlog, en kreeg in 1586 zelfs zijn eigen admiraliteitszetel. Voordien waren ze afhankelijk van de admiraliteit van Zeeland. In 1583 viel Duinkerke opnieuw in Spaanse handen. Farnese zag direct het strategisch belang van deze stad en blies de kaapvaart nieuw leven in. De Duinkerkse kapers vochten nu tegen hun vroegere vrienden en brachten de Nederlandse koopvaardij ernstig verlies toe. De slag bij Nieuwpoort (1600), die bij onze Noorderburen zo bekend is (vroeger althans) was een poging de Duinkerkse kapers een halt toe te roepen. De verdere opgang van Oostende als kapersnest hangt samen met de acties van de Duinkerkse kapers. Door de val van Duinkerke steeg de strategische waarde van Oostende. De stad werd daarop versterkt en de Hollanders en Engelsen bouwden de stad uit tot een geduchte oorlogshaven. De kaapvaart uit Oostende werd ook gestimuleerd omdat de Duinkerkse kapers de visserij onmogelijk maakten. Talrijke vissers moesten voor een andere bron van inkomsten zorgen. De kaapvaart was de beste oplossing. De visserij zou pas in de 18de eeuw weer echt tot bloei komen.

20 jaar maakten de Oostendenaars plundertochten zowel op land als op zee. De Spanjaarden probeerden wel om de stad in te nemen maar niks hielp. Het grootste deel van de Zuidelijke Nederlanden was nochtans al terug in Spaanse handen. Pas in 1601 zouden de Spanjaarden de stad volwaardig belegeren, maar dan nog kostte het hen 3 jaar om de stad in te nemen.

Het beleg betekende het begin van een nieuw tijdperk. De stad was zwaar beschadigd, veel Oostendenaars waren omgekomen en de haven was verzand en dus onbruikbaar geworden. Het had weinig gescheeld of de stad werd volledig verlaten na 1604. de visserij had de genadeslag gekregen, veel vissersfamilies weken uit naar Zeeland. De politiek van Albrecht en Isabella zou de stad herbevolken. Rond 1615-1620 had de stad opnieuw een degelijk peil qua bevolking. De kaapvaart die langzaam weer op gang kwam, diende de maritieme traditie van Oostende verder te zetten. Oostende groeide, samen met Duinkerke, uit tot een geducht kapersnest en zodoende ging de kaapvaart een ongekende bloei tegemoet. Volgens Magosse voeren jaarlijks 15-20 Vlaamse kapers uit.

In 1607 werd de opgang van de Vlaamse kaapvaart onderbroken door het 12-jarig Bestand. De havens hernomen hun functie als vissershavens maar na 1621 werden de vijandigheden hernomen en kwam de kaapvaart dubbel zo krachtig terug. Volgens Magosse werden tussen 1621 en 1647 per jaar meer dan 100 kaperschepen in de vaart gebracht. Tussen 1626 en 1637 brachten de Vlaamse kapers (gesteund door de ‘Armada des Flandes’) 336 schepen tot zinken en werden er 1499 verkocht. Volgens Baetens bedroeg de omzet van de Vlaamse kaapvaart tijdens de periode 1627-1648 30 miljoen gulden. De 80-jarige Oorlog is dan ook het hoogtepunt van de Vlaamse kaapvaart. De kaapvaart was er geëvolueerd tot een volwaardige bedrijfstak die veel mensen tewerkstelde.

Het verlies van Duinkerke na 1658 zorgde dat enkel Oostende en Nieuwpoort nog ter buit voeren voor Spaans-Nederlandse rekening. Na de vrede van Munster keerde de Spaanse oorlogsvloot terug naar Spanje. Particuliere kapers kregen van dan af geen steun meer van zwaarbewapende oorlogsschepen. Door het verlies van Duinkerke aan de Fransen zou de Vlaamse kaapvaart nooit meer de glorie bereiken die ze tijdens de 80-jarige oorlog had gekend. De omzet tussen 1649 en 1712 bedroeg slechts 14 miljoen gulden meer. Duinkerke was altijd al de belangrijkste thuishaven van de Vlaamse kaapvaart geweest. Na het 12-jarig Bestand bestond de Duinkerkse kapersvloot uit een 60-tal eenheden, terwijl die van Oostende maar uit een 10-tal zeilen bestond. Ook in Franse handen bleef Duinkerke de belangrijkste stad inzake kaapvaart, en groeide zelfs nog aan. Eigenlijk is het niet goed om te spreken van achteruitgang van de Vlaamse kaapvaart, de 3 steden waren enkel geen eenheid meer. Om echt te vergelijken met het verleden moet je de resultaten van de 3 steden bij elkaar leggen. Samenvattend zou je kunnen stellen dat Duinkerke, Oostende en Nieuwpoort eigenlijk 3 vissershavens waren die zich noodgedwongen toelegden op de kaapvaart door de oorlogssituatie. Omdat de 17de eeuw een periode vol conflicten was groeide kaapvaart uit tot een volwaardige bedrijfstak. Tijdens de Negenjarige Oorlog konden de Oostendenaars dus terugvallen op een ‘oude’ traditie.

 

 

Volgende 10 dagen volgen

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge